Blog 04/11

De uitgebreide geschiedenis van DeFabrique

Toen Tjeerd Jacob Twijnstra in 1921 zijn lijnolie- en mengvoederfabriek liet bouwen, had hij niet kunnen vermoeden dat zijn pand 100 jaar later een van de meest karakteristieke en toonaangevende evenementenlocaties van Nederland zou zijn. Ben je benieuwd naar de uitgebreide geschiedenis van DeFabrique? We nemen je mee terug in de tijd…

HOE HET BEGON

In 1887 kocht Tsjaerd Twijnstra de wind- en stoomoliemolen ‘De Eendragt’ in het Friese Akkrum voor zijn 21-jarige boerenzoon Ulbe Twijnstra. De molen perste olie uit lijnzaad, soja en copra, wat vervolgens werd gebruikt voor de fabricage van zeep, margarine, verven en vernissen. Voor molenaars was vooral het ‘afvalproduct’ lijnkoek interessant. Dit is het pulp dat overblijft na het persen van de olie en kan als veevoer worden gebruikt. In veerijke gebieden bloeide de zuivelindustrie op, waardoor goed veevoer steeds belangrijker werd. Oliemolens werden gezien als een interessante investering, omdat ze producten naar twee afzonderlijke markten exploiteren. 

MODERNISEREN & INNOVEREN

De jonge Ulbe Twijnstra pakte de zaken energiek aan. In 1891 werd de windmolen afgebroken en kwam er een modern fabrieksgebouw voor in de plaats. De stoommachine werd vervangen door een grotere en er werden Engelse persen aangeschaft waarmee de olie sneller en beter uit het gemalen zaad kon worden geperst. Tegelijkertijd werd er in het Friese Franeker een soortgelijke fabriek aangekocht en gemoderniseerd. ‘UT’ groeide in korte tijd uit van een kleine, plaatselijke industrie naar een goed georganiseerd grootbedrijf. Door eigen research en constante kwaliteit bouwde UT een goede naam op bij boeren. Als Ulbe Twijnstra in 1912 plotseling overlijdt neem zijn zoon Tjeerd Jacob Twijnstra drie jaar later de leiding op zich van het familiebedrijf U. Twijntra’s Oliefabriek NV in Akkrum. De Fries is dan 25 jaar.

geschiedenis DeFabrique
Tjeerd Jacob Twijnstra (1914)

LANDELIJKE AFZET

Kort na de Eerste Wereldoorlog wil Tjeerd een landelijke afzet van zijn producten. Hij zocht een geschikte locatie in het midden van het land. Dat werd Maarssen. Het dorp aan de rand van Utrecht lag gunstig tussen de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en het Merwedekanaal (huidige Amsterdam-Rijnkanaal). De ligging aan goed vaarwater was erg belangrijk voor de aan- en afvoer van grondstoffen. Hiervoor werd zelfs een eigen insteekhaven gegraven waardoor het complex zowel per boot, trein, paard, wagen en later vrachtwagens goed bereikbaar was.

UT NAAR MAARSSEN

En zo verrees in april 1921 een moderne fabriek voor de persing van lijnolie en de productie van veekoeken. Een goede vriend van Tjeerd was architect en ontwierp verschillende gebouwen. De basis van de fabriek bestond uit een olieperserij, veekoekenfabriek, expeditiecentrum en ronde silo’s van beton. Helaas waren er ook flinke tegenslagen. Vanwege een strenge winter en het faillissement van de bouwer liep het project flinke vertraging op.

geschiedenis DeFabrique
UT in aanbouw ca. 1921

FRIEZEN NAAR UTRECHT

Naarmate de bouw vorderde kwamen machines uit Franeker en Akkrum naar Maarssen toe. Een ploeg UT-ers kwam ook mee om te assisteren met de bouw en de machines te installeren. Toen de fabriek gereed was kwam er een tweede stroom Friezen uit Akkrum naar Maarssen. Ook kantoorpersoneel werd overgeplaatst, want Maarssen werd het nieuwe hoofdkantoor. Al die nieuwe inwoners moesten natuurlijk ook gehuisvest worden. Met de garantie van een fabriek bouwde de gemeente aan de overzijde van het kanaal een wijk met kleine arbeiderswoningen, dat tot op heden bekend staat als de Friezenbuurt. Van vakbonden en kerken tot verenigingen en gemeenteraden: overal kwam je Friezen tegen. De fabriek bood een ontzettende werkgelegenheid voor hen, maar ook voor mensen uit de omgeving.

CONTINUE BEDRIJVIGHEID

Zo stond Tjeerd Jacob Twijnstra als jonge ondernemer aan het hoofd van twee florerende bedrijven. Met schepen kwamen de grondstoffen binnen, die met een kraan en grijper in bakken werden gestopt en vervolgens via transportbanden naar de verschillende persmachines werden getransporteerd. Alle machines werden vanuit het ketelhuis met schoorsteen aangedreven door een stoommachine. Zodra het productieproces klaar was, werden de eindproducten in zakken verpakt en in het expeditiecentrum opgeslagen. Vanuit daar werden de zakken op schepen, treinen, wagens en later vrachtwagens geladen. Dit continue proces was mogelijk door drieploegendiensten. Per dag werkte er drie groepen, die de juiste mensen met het juiste vakmanschap bezaten, acht uur in de fabriek.

geschiedenis DeFabrique
U. Twijnstra’s Oliefabrieken: strategisch gelegen aan de weg, water en het spoor

VOORTBESTAAN BEDREIGD

In de jaren twintig ontstaan er twee gevaren voor UT: oprukkende landbouwcoöperaties gaan zelf koeken produceren en de margarine-industrie perst zelf oliezaden. Twijnstra zoekt naar mogelijkheden om de positie van UT veilig te stellen. Een zeepziederij wordt aangekocht waar geproduceerde lijnolie wordt ingezet voor de fabricage van zeep.

WERELDWIJDE CRISIS

Het gevaar voor UT is nog niet geweken. De Roaring Twenties komen in 1929 abrupt tot stilstand als gevolg van de beurscrash op Wall Street, waarbij de aandelenkoersen ongekend snel kelderen. Het gevolg? Een wereldwijde crisis. Vanwege de lage koekprijzen was het persen van oliezaden niet meer rendabel. De productie wordt verminderd, de werkweek ingekort en fabrieksarbeiders worden ontslagen. Daar kwam de groeiende macht van Margarine Unie als ongunstige factor bij. Voor soja-, cocos- en grondnotenolie is Margarine Unie vrijwel de enige koper en die koopt niet bij derden. Ook de koekenmarkt is geheel ingestort; een rampzalige toestand. Twijnstra onderhandelt daarom met Margarine Unie over een samenwerking met behoud van zelfstandigheid. Dit levert helaas niets op. 

geschiedenis DeFabrique

GEVAAR LIGT OP DE LOER

Een nieuwe fusie bedreigt begin 1930 het voortbestaan van UT. Margarine Unie en Lever Brothers (de twee grootverbruikers van oliën en vetten) worden het eens: Unilever ontstaat. Dé marktleider op het gebied van margarine en zeep. Uiteindelijk gaat UT dit jaar een samenwerking aan met het internationale bedrijf om te profiteren van de gezamenlijke inkoop van grondstoffen en het voortbestaan van de onderneming veilig te stellen.

OVERSTAP

Lange tijd waren veekoeken slechts het bijproduct van de oliefabriek, maar steeds vaker brachten fabrikanten gemengde koeken op de markt. Deze hadden gunstige eigenschappen waardoor ze een betere voeding voor de koe waren en het was goedkoper voor de boer. In 1937 werd er in de fabriek een mengvoederafdeling gebouwd. De eerste stap van olieslagerij naar mengvoederfabriek was gezet.

geschiedenis DeFabrique
Bouw mengvoederafdeling in UT-fabriek

TWEEDE WERELDOORLOG

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog stagneerde de aanvoer van oliezaden en in april 1940 kromp het personeelsbestand opnieuw. Alle ontslagen arbeiders vonden werk bij Defensie, waar men met man en macht bezig was de nieuwe Hollandse Waterlinie te versterken. In de oorlogsjaren werd op alle mogelijke manieren geprobeerd het personeel van UT aan het werk te houden door bijvoorbeeld turfsteken, wegenaanleg en zakjes vullen met surrogaatzeep. Helaas werden er 17 medewerkers verplicht in Duitsland te werk gesteld waarvan er, zover bekend, één niet terugkeerde. Naarmate de oorlog langer duurde nam de voedselvoorziening af. Dankzij de inspanningen van de fabrieksleiding van Maarssen lukte het mede door hulp van Akkrum om alle personeelsleden en hun gezinnen van eten te blijven voorzien. Aan het einde van de oorlog werden in de opslagloodsen van de fabriek Duitse krijgsgevangenen ondergebracht. De Engelse bewakers vestigden zich in het kantoor. De oorlogsbuit bestond uit een surrogaatband, die nog een paar jaar als kantoorfiets is gebruikt door de jongste bediende.

geschiedenis DeFabrique

OVERGANG NAAR MENGVOEDERFABRIEK

Veranderingen op de wereldmarkt zorgde ook voor een veranderende bedrijfsvoering bij UT. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de veestapels snel en werd het voeder niet alleen meer gericht op rund, maar ook varkens- en pluimveevoeder. Twijnstra’s Olie en Voederkoekenfabriek stapte in 1945 over op copra, het gedroogde vruchtvlees van de kokosnoot. De kokosolie werd vooral gebruikt in de margarine-industrie. De kokosnoten werden opengebroken, het water afgevoerd en de pit gedroogd (bijvoorbeeld in de zon of oven). De korrels die overblijven worden vervolgens geplet om olie te extraheren. Ten behoeve van dit proces, verrees in 1950 een opvallende tentvormige loods, nu bekend als de Copraloods. In deze ruimte werden alle kokosnoten opgeslagen. In 1959 overlijdt directeur Tjeerd Jacob Twijnstra en neemt zijn zoon Ubbo Twijnstra het familiebedrijf over. Hij was al sinds de jaren ‘50 technisch directeur. Uiteindelijk werd in 1962 – na 75 jaar – besloten de olieslagerij te sluiten. Mengvoeder werd van het bijproduct officieel het hoofdproduct.

geschiedenis DeFabrique
Copraloods & nieuwe, hoge silo aangebouwd (rechts)

ONTSTAAN UTD-FABRIEK

In het jaar 1963 fuseerde Twijnstra’s fabriek met de mengvoederafdeling van NV Oliefabrieken Calvé-Delft. Dit resulteerde in U.T.-Delfia BV, waarmee de naam van UT in UTD veranderde. Delfia was onderdeel van Unilever, en daardoor een heel groot bedrijf. Door met hen te fuseren, vergrootte UT hun afzetgebied en daarmee ook hun marktaandeel. Uiteindelijk werd het in 1998 opgenomen in het Nutreco-concern, waar het fuseerde met Hendrix tot Hendrix UTD. Sinds april 2012 maakt Hendrix UTD onderdeel uit van ForFarmers.

geschiedenis DeFabrique
Schepen voerden grondstoffen aan die met een kraan en grijper in bakken werden gestopt (1965)

VERKOOP FABRIEK

In 1991 werd de fabriek te koop gezet. 5 jaar verstreken en niemand was geïnteresseerd. Ondernemer Jan van Eck werd door een bekende verleid tot een bezoekje en was op slag verliefd op het pand. De rest is geschiedenis. De loodsen, silo’s en hallen werden met liefde herbestemd tot authentieke ruimtes voor jouw beurs, feest of congres.

 

Delen: